Het boek De trein van vier over twaalf van Conny Palmkvist heeft een paar prachtige zinnen over verlies en rouw:

Daar ligt mijn moeder te sterven zonder dat ze me heeft gevraagd of ik dat goedvind. Mensen zouden hun kinderen moeten vragen of ze dat goedvinden.
Die kinderen zouden moeten beslissen.
Of moeders wel of niet mogen sterven.
Er zou een wet voor moeten zijn. Dan kun je zeggen: ‘In naam der wet, mama, ik verbied je om te sterven. Dat doe je maar een andere keer. Over honderd jaar.’
Maar zo mag je niet praten tegen mensen die op sterven liggen. Als ik eerlijk ben, praat ik het liefst helemaal niet tegen ze.
Je huilt gewoon tot je tranen op zijn.
Dan huil je zonder te huilen.
Dat is het ergste wat er bestaat.
(blz. 8)
Buiten is het warm.
Hierbinnen heb ik het ijskoud.
Kippenvel op mijn armen.
En op mijn hart.
Hartkippenvel, dat krijg je als je hart kapotvriest van al het verdriet dat je op je ziel draagt.
Hartkippenvel, overal.
Dat bestaat echt.
(blz. 97-98)